De dag begon in het holst van de nacht (half acht, maar het was nog donker) met een heerlijk uitgebreid ontbijt. Het ruige windje was weggewaaid en de zeezieken hadden na een verkwikkende nachtrust weer wat kleur op hun bleke wangen. Sommige nachtbrakers waren nog wat schor van het meezingen met de band en “bingo” roepen de vorige avond. Maar er was goed nieuws: na al deze ontberingen op zee was er eindelijk weer land in zicht.

Na een forse rij voor de douane konden we weer instappen bij Henk die van plan was zeven maal om Leeds heen te rijden. Gelukkig greep Lydia in en zaten we snel weer op de juiste route. Die werd wel steeds smaller tot op het punt dat we echt niet meer langs enkele onvermurwbare inboorlingen konden komen. Door een schitterende achteruitrijactie onder begeleiding van ad-hoc verkeersregelaars Julia en Gerben, konden we tegen het kleine offer van een linkerachterlicht gelukkig ontsnappen om zo Rebecca op te pikken.

Met het gezelschap compleet kwamen we in Haworth aan. Dapper zongen we ons daar door de repetitie heen terwijl Harry piratenliedjes op het orgel speelde. We hadden zelfs publiek, want de kerk was gevuld met sprookjesachtig uitgedoste deelnemers aan een kleurrijk festival. De ondertussen opgehaalde lunch was nog nét op tijd, een paar tenoren begonnen al te muiten.

De helft van het koor besloot lopend naar het hostel te gaan, waar de andere helft al iets eerder aankwam om al die koffers en tassen met flessen uit te laden. Een heel fraai gebouw overigens: opgetrokken uit karakteristieke stenen met de echo’s van grandeur van weleer. En degelijke stapelbedden die niet heel erg wiebelen, ook heel fijn.

Het diner was al even degelijk. Victor sprak ons op vaderlijke toon licht vermanend toe om te waarschuwen dat we echt heel goed op moesten letten zondag. Will trapte de inschrijving van de Bonte Avond af. Maar eerst konden we genieten van een vrije avond met koffie en andere heerlijkheden.